Woordenschat
Filters1
75 woorden · pagina 2 van 3
inA1
in
Het zit in de kast.
maarA1
but
Ik wil komen, maar ik heb geen tijd.
metA1
with
Ik ga met de fiets.
naA1
after
Na het eten gaan we wandelen.
negenA1
nine
De winkel opent om negen uur.
negentigA1
ninety
Hij werd negentig jaar oud.
niemandA1
nobody
Er is niemand thuis.
nietA1
not
Ik begrijp het niet.
nietsA1
nothing
Ik heb niets gezegd.
ofA1
or
Wil je thee of koffie?
omdatA1
because (subordinating)
Ik kom niet, omdat ik moet werken.
onderA1
under
De doos staat onder het bed.
ookA1
also, too
Ik kom ook mee.
opA1
on
Het boek ligt op tafel.
overA1
about; over
We praten later over dit probleem.
pardonA1
excuse me
Pardon, mag ik er even langs?
sindsA1
since
Ik woon hier sinds 2022.
sorryA1
sorry
Sorry, ik ben te laat.
tachtigA1
eighty
Mijn oma is tachtig jaar.
tienA1
ten
Ik heb nog tien minuten.
tijdensA1
during
Tijdens de les mag je niet bellen.
totA1
until, up to
De winkel is open tot zes uur.
tussenA1
between
De winkel zit tussen de bank en het café.
twaalfA1
twelve
We eten om twaalf uur.
tweeA1
two
Ik heb twee kinderen.

