Woordenschat
804 woorden · pagina 2 van 33
aprilA1
April
In april bloeien de bloemen.
arbeidsovereenkomstA2
employment contract
De arbeidsovereenkomst is voor een jaar.
armA1
arm
Mijn arm is stijf.
augustusA1
August
Augustus is vaak de warmste maand.
autoA1
car
Onze auto staat voor de deur.
avondA1
evening
's Avonds kijk ik televisie.
avondetenA2
dinner
Het avondeten is om zes uur.
azijnA1
vinegar
Doe wat azijn in de salade.
baanA2
job
Zij heeft een nieuwe baan gevonden.
baasA2
boss
Mijn baas is vandaag afwezig.
babyA1
baby
De baby slaapt nu.
badkamerA1
bathroom
De badkamer is boven.
badkuipA2
bathtub
In deze badkamer staat geen badkuip.
bagageA2
luggage
Laat je bagage niet alleen achter.
bakkerA2
baker, bakery
Ik haal brood bij de bakker.
balkonA2
balcony
Op het balkon staan planten.
banaanA1
banana
Wil je een banaan?
bandA2
tyre
Mijn band is lek.
bangA2
afraid
Ik ben bang voor honden.
bankA2
bank
Ik heb een rekening bij deze bank.
bankrekeningA2
bank account
Je hebt een bankrekening nodig voor je salaris.
batterijA1
battery
De batterij is leeg.
bedA1
bed
Ik ga vroeg naar bed.
bedragA2
amount
Het bedrag staat onderaan de rekening.
bedrijfA2
company
Zij werkt bij een groot bedrijf.

