EigenRoute
InloggenRegistreren

Woordenschat

1230 woorden · pagina 19 van 50

  • kamerA1

    room

    Mijn kamer is niet zo groot.

  • kaneelA1

    cinnamon

    Doe wat kaneel op de appels.

  • kansA1

    chance, opportunity

    Dit is een mooie kans voor jou.

  • kantoorA2

    office

    Ons kantoor is vlak bij het station.

  • kantoorurenA2

    office hours

    Bel tijdens kantooruren.

  • kassaA2

    checkout

    Bij de kassa is een lange rij.

  • kassamedewerkerA2

    checkout assistant

    De kassamedewerker was heel vriendelijk.

  • kastA1

    cupboard, wardrobe

    Je jas hangt in de kast.

  • keelA1

    throat

    Ik heb pijn in mijn keel.

  • keelpijnA2

    sore throat

    Ik heb keelpijn en kan slecht slikken.

  • keerA1

    time (occurrence)

    Ik ga twee keer per week sporten.

  • kelderA1

    cellar, basement

    De fietsen staan in de kelder.

  • kennenA1

    to know (a person/thing)

    Ken je die man?

  • kerkA1

    church

    De kerk staat op het plein.

  • keukenA1

    kitchen

    De keuken is net schoongemaakt.

  • keuzeA2

    choice

    Er is genoeg keuze.

  • kiezenA2

    to choose

    Je moet zelf kiezen.

  • kijkenA2

    to look, to watch

    We kijken vanavond naar een film.

  • kinA1

    chin

    Hij stootte zijn kin bij het vallen.

  • kindA1

    child

    Het kind speelt in de tuin.

  • kipA1

    chicken

    Ik eet liever kip dan rundvlees.

  • klaarA2

    ready, finished

    Het eten is klaar.

  • klaarmakenA2

    to prepare, to get ready

    Ik maak het eten klaar.

  • klantA2

    customer

    De klant heeft altijd gelijk.

  • klantenkaartA2

    loyalty card

    Met een klantenkaart spaar je punten.