EigenRoute
InloggenRegistreren

Woordenschat

277 woorden · pagina 11 van 12

  • voorstellenB1

    to propose; to introduce

    Mag ik een andere datum voorstellen?

  • vragenA2

    to ask

    Mag ik iets vragen?

  • waarschuwenB1

    to warn

    Ik had je nog gewaarschuwd.

  • wachtenA2

    to wait

    Ik wacht al een half uur.

  • wandelenA1

    to walk, to stroll

    We gaan zondag wandelen.

  • wassenA2

    to wash

    Ik moet nog kleren wassen.

  • weggaanA2

    to leave

    Wanneer ga je weg?

  • weggooienA2

    to throw away

    Gooi het oude papier weg.

  • weigerenB1

    to refuse

    Hij weigerde het voorstel.

  • werkenA1

    to work

    Zij werkt in een ziekenhuis.

  • wetenA1

    to know (a fact)

    Ik weet het niet.

  • willenA1

    to want

    Ik wil graag koffie.

  • wisselenA2

    to change (money)

    Kunt u dit briefje van vijftig wisselen?

  • wonenA1

    to live, to reside

    Wij wonen in Utrecht.

  • wordenA2

    to become

    Hij wil dokter worden.

  • zakkenB1

    to fail (an exam)

    Hij is helaas gezakt voor het examen.

  • zeggenA1

    to say

    Wat zei je?

  • zettenA1

    to put, to place upright

    Zet de stoel bij het raam.

  • ziekmeldenA2

    to call in sick

    Je moet je voor negen uur ziekmelden.

  • zienA1

    to see

    Ik zie je morgen.

  • zijnA1

    to be

    Ik ben blij dat je er bent.

  • zingenA2

    to sing

    Op verjaardagen zingen we een lied.

  • zittenA1

    to sit

    Zij zit op de bank.

  • zoekenA2

    to look for

    Ik zoek mijn sleutels.

  • zorgenA2

    to ensure; to care for

    Ik zorg dat het op tijd klaar is.