Woordenschat
Filters
612 woorden · pagina 10 van 25
keelA1
throat
Ik heb pijn in mijn keel.
keerA1
time (occurrence)
Ik ga twee keer per week sporten.
kelderA1
cellar, basement
De fietsen staan in de kelder.
kennenA1
to know (a person/thing)
Ken je die man?
kerkA1
church
De kerk staat op het plein.
keukenA1
kitchen
De keuken is net schoongemaakt.
kinA1
chin
Hij stootte zijn kin bij het vallen.
kindA1
child
Het kind speelt in de tuin.
kipA1
chicken
Ik eet liever kip dan rundvlees.
kleinA1
small
Mijn kamer is klein maar gezellig.
kleindochterA1
granddaughter
Zijn kleindochter gaat al naar school.
kleinkindA1
grandchild
Zij heeft drie kleinkinderen.
kleinzoonA1
grandson
Haar kleinzoon is net geboren.
klerenA1
clothes
Ik koop nieuwe kleren.
kleurA1
colour
Welke kleur vind je mooi?
klokA1
clock
De klok in de keuken loopt voor.
knieA1
knee
Mijn knie doet pijn bij het lopen.
koekA1
biscuit, cake
Bij de koffie krijg je een koekje.
koelkastA1
fridge
De melk staat in de koelkast.
koffieA1
coffee
Zullen we een kopje koffie drinken?
komenA1
to come
Kom je vanavond ook?
komkommerA1
cucumber
Snijd de komkommer in plakjes.
koolA1
cabbage
In de winter eten we vaak kool.
kopenA1
to buy
Ik koop brood bij de bakker.
kopjeA1
cup
Wil je een kopje thee?

