EigenRoute
InloggenRegistreren

Woordenschat

425 woorden · pagina 10 van 17

  • ontradenB2

    to advise against

    De arts ontraadde die combinatie.

  • ontroerenB2

    to move (emotionally)

    Het verhaal ontroerde de hele zaal.

  • ontslaanA2

    to dismiss, to fire

    Er worden dit jaar geen mensen ontslagen.

  • ontspannenB1

    to relax

    In het weekend probeer ik te ontspannen.

  • ontvangenA2

    to receive

    Ik heb je bericht ontvangen.

  • opbellenA2

    to call up

    Ik bel je morgen op.

  • opbergenA2

    to put away, to store

    Berg je spullen op in de kast.

  • opbeurenB2

    to cheer up

    Een kaartje kan iemand echt opbeuren.

  • openenA1

    to open

    De winkel opent om negen uur.

  • opgevenB2

    to give up

    Na drie pogingen gaf hij het op.

  • ophalenA2

    to pick up

    Ik haal je om zeven uur op.

  • oplettenA2

    to pay attention

    Let goed op bij het oversteken.

  • opluchtenB2

    to relieve

    De uitslag luchtte hem enorm op.

  • opmerkenB2

    to remark

    Zij merkte terecht op dat de cijfers oud zijn.

  • opruimenA2

    to tidy up

    Ruim je spullen even op.

  • optimaliserenB2

    to optimise

    Het proces is verder geoptimaliseerd.

  • opvallenA2

    to stand out, to strike one

    Het valt me op dat je beter spreekt.

  • opwarmenA2

    to heat up

    Warm het eten even op in de magnetron.

  • opzeggenA2

    to terminate, to cancel

    Ik wil mijn contract opzeggen.

  • opzoekenA2

    to look up

    Zoek het woord even op.

  • ordenenB2

    to organise, to order

    Orden de gegevens per jaar.

  • overboekenB1

    to transfer (money)

    Ik heb het bedrag gisteren overgeboekt.

  • overdrijvenB2

    to exaggerate

    Hij overdrijft het probleem een beetje.

  • overleggenB1

    to consult, to confer

    Ik moet eerst met mijn collega overleggen.

  • overstappenA2

    to change (trains)

    In Utrecht moet je overstappen.