Je EigenRoute
InloggenRegistreren

Woordenschat

64 woorden · pagina 1 van 3

  • vallenA1onregelmatig

    viel · vielen · zijn gevallen

    to fall

    Pas op, je valt bijna.


    to fall on (a date)

    Mijn verjaardag valt dit jaar op een zondag.

  • vangenB1onregelmatig

    ving · vingen · hebben gevangen

    to catch

    Mijn zoon ving de bal met één hand.

  • vechtenB1onregelmatig

    vocht · vochten · hebben gevochten

    to fight

    De twee jongens vechten op het schoolplein.

  • veranderenA1

    veranderde · hebben/zijn veranderd

    to change

    Er is veel veranderd dit jaar.

  • verantwoordenB1

    verantwoordde · hebben verantwoord

    to justify (a decision)

    Je moet je keuzes kunnen verantwoorden.


    zich verantwoordenwederkerend

    to answer for oneself, to account

    Hij moest zich verantwoorden tegenover de directie.

  • verbazenA2

    verbaasde · hebben verbaasd

    to astonish

    Zijn reactie verbaasde iedereen.

  • verbergenB1onregelmatig

    verborg · verborgen · hebben verborgen

    to hide

    Het kind verbergt het cadeau onder zijn bed.

  • verbeterenA2

    verbeterde · hebben/zijn verbeterd

    to improve

    Mijn Nederlands is dit jaar verbeterd.

  • verbiedenA2onregelmatig

    verbood · verboden · hebben verboden

    to forbid

    Roken is in het gebouw verboden.

  • verbindenB1onregelmatig

    verbond · verbonden · hebben verbonden

    to connect, to link

    Deze brug verbindt de twee delen van de stad.

  • verbrandenB1

    verbrandde · hebben/zijn verbrand

    to burn

    Ik heb mijn hand aan de hete pan verbrand.

  • verdelenB1

    verdeelde · hebben verdeeld

    to divide, to share out

    We verdelen de kosten van het etentje eerlijk.

  • verdienenA1

    verdiende · hebben verdiend

    to earn

    Hoeveel verdien je per uur?

  • verdwijnenB1onregelmatig

    verdween · verdwenen · zijn verdwenen

    to disappear

    Mijn sleutels zijn plotseling uit mijn tas verdwenen.

  • vergelijkenA2onregelmatig

    vergeleek · vergeleken · hebben vergeleken

    to compare

    Vergelijk beide teksten met elkaar.

  • vergetenA1onregelmatig

    vergat · vergaten · hebben vergeten

    to forget

    Ik ben mijn telefoon vergeten.

  • zich vergissenB1wederkerend

    vergiste · hebben vergist

    to be mistaken

    Sorry, ik heb me vergist in de datum.

  • verhogenB1

    verhoogde · hebben verhoogd

    to raise, to increase

    De huisbaas wil de huur volgend jaar verhogen.

  • verhuizenA2

    verhuisde · zijn verhuisd

    to move house

    We verhuizen volgende maand naar Rotterdam.

  • verkopenA1onregelmatig

    verkocht · verkochten · hebben verkocht

    to sell

    Ze verkopen hier verse groente.

  • verlatenB1onregelmatig

    verliet · verlieten · hebben verlaten

    to leave (a place)

    Wij verlaten het gebouw via de nooduitgang.

  • verliezenA2onregelmatig

    verloor · verloren · hebben/zijn verloren

    to lose

    Ons team heeft de wedstrijd met twee tegen één verloren.

  • verlopenB1onregelmatig

    verliep · verliepen · zijn verlopen

    to expire; to go (well/badly)

    Mijn verblijfsvergunning is vorige maand verlopen.

  • vermijdenA2onregelmatig

    vermeed · vermeden · hebben vermeden

    to avoid

    Probeer de spits te vermijden.

  • veroorzakenB1

    veroorzaakte · hebben veroorzaakt

    to cause

    Roken kan op den duur veel ziektes veroorzaken.