Woordenschat
Filters2
Onderwerpen
25 woorden · pagina 1 van 1
vallenA1
to fall
Pas op, je valt bijna.
veranderenA2
to change
Er is veel veranderd dit jaar.
verantwoordenB1
to justify, to account for
Je moet je keuzes kunnen verantwoorden.
verbeterenA2
to improve
Mijn Nederlands is dit jaar verbeterd.
verbiedenA2
to forbid
Roken is in het gebouw verboden.
verdienenA2
to earn
Hoeveel verdien je per uur?
vergetenA2
to forget
Ik ben mijn telefoon vergeten.
verhuizenA2
to move house
We verhuizen volgende maand naar Rotterdam.
verkopenA1
to sell
Ze verkopen hier verse groente.
vermijdenA2
to avoid
Probeer de spits te vermijden.
verplaatsenA2
to move, to reschedule
Kunnen we de afspraak verplaatsen?
versturenA2
to send off
Verstuur het formulier voor vrijdag.
vertellenA1
to tell
Vertel eens, hoe was je dag?
vertrekkenA2
to depart
De trein vertrekt over vijf minuten.
verwachtenA2
to expect
We verwachten hem om zes uur.
verwerkenB1
to process, to absorb
Je moet de stof eerst goed verwerken.
verzamelenB1
to collect
Hij verzamelt oude postzegels.
verzoekenB1
to request
Wij verzoeken u het formulier te ondertekenen.
verzorgenB1
to care for
Zij verzorgt haar moeder thuis.
vindenA2
to find; to think (of)
Ik kan het niet vinden.
voelenA2
to feel
Ik voel me vandaag beter.
voorbereidenA2
to prepare
Ik bereid me voor op het examen.
voorkomenA2
to occur; to prevent
Dat probleem komt hier vaak voor.
voorstellenB1
to propose; to introduce
Mag ik een andere datum voorstellen?
vragenA2
to ask
Mag ik iets vragen?

