Woordenschat
Filters2
10 woorden · pagina 1 van 1
uitbreidenB1scheidbaar
breidde uit · hebben uitgebreid
to expand, to extend
Het bedrijf wil volgend jaar het team uitbreiden.
uitgaanB1scheidbaaronregelmatig
ging uit · gingen uit · zijn uitgegaan
to go out
Vroeger gingen we elk weekend uit.
to assume, to go on the basis that
We gaan ervan uit dat iedereen op tijd komt.
uitgevenA2scheidbaaronregelmatig
gaf uit · gaven uit · hebben uitgegeven
to spend
Ik geef te veel geld uit aan eten.
to publish
Die uitgeverij geeft vooral kinderboeken uit.
uitkomenA2scheidbaaronregelmatig
kwam uit · kwamen uit · zijn uitgekomen
to suit; to turn out
Komt dinsdag jou goed uit?
to come out, to turn out (to be the case)
Later kwam uit dat de cijfers niet klopten.
uitleggenB1scheidbaar
legde uit · hebben uitgelegd
to explain
Kun je dat nog een keer uitleggen?
uitnodigenB1scheidbaar
nodigde uit · hebben uitgenodigd
to invite
Ze hebben ons uitgenodigd voor het feest.
uitrustenB1scheidbaar
rustte uit · hebben uitgerust
to rest
Na die drukke week moet ik even uitrusten.
to equip, to fit out
De nieuwe auto is uitgerust met airco.
uitstappenA2scheidbaar
stapte uit · zijn uitgestapt
to get off
Bij welke halte moet ik uitstappen?
uitvoerenB1scheidbaar
voerde uit · hebben uitgevoerd
to carry out, to perform
De schilder voert de opdracht volgende week uit.
uitzoekenA2scheidbaaronregelmatig
zocht uit · zochten uit · hebben uitgezocht
to find out, to sort out
Ik zoek uit wat de regels precies zijn.

