Woordenschat
Filters2
25 woorden · pagina 1 van 1
maagA1
stomach
Ik heb last van mijn maag.
maandA1
month
Volgende maand ga ik op vakantie.
maandagA1
Monday
Op maandag begin ik om negen uur.
maandelijksA1
monthly
De huur betaal je maandelijks.
maartA1
March
De cursus start in maart.
manA1
man
Die man werkt in de winkel.
matrasA1
mattress
Dit matras is te zacht voor mij.
meelA1
flour
Voor dit recept heb je meel nodig.
meerA1
more
Ik heb meer tijd nodig.
meesteA1
most
De meeste mensen komen met de fiets.
meiA1
May
Mijn verjaardag is in mei.
meisjeA1
girl
Het meisje speelt buiten.
melkA1
milk
Wil je melk in je koffie?
mensA1
person, human
Hij is een aardig mens.
mensenA1
people
Er waren veel mensen op het feest.
mesA1
knife
Dit mes is niet scherp.
middagA1
afternoon
We eten om twaalf uur 's middags.
middernachtA1
midnight
De trein rijdt tot middernacht.
minderA1
less, fewer
Ik werk nu minder uren.
minuutA1
minute
Wacht even, nog één minuut.
moederA1
mother
Mijn moeder woont in Utrecht.
momentA1
moment
Een moment, ik kom eraan.
mondA1
mouth
Doe je mond open, zegt de tandarts.
muurA1
wall
Aan de muur hangt een schilderij.
muziekA1
music
Ik luister graag naar muziek.

