Woordenschat
58 woorden · pagina 1 van 3
kaarsA1
candle
Op tafel brandt een kaars.
kaartA1
card; map
Ik stuur haar een kaart voor haar verjaardag.
kaartjeA2
ticket
Ik heb mijn kaartje al gekocht.
kaasA1
cheese
Nederlandse kaas is bekend in de wereld.
kachelA1
heater, stove
Zet de kachel wat hoger.
kamA1
comb
Mag ik je kam even lenen?
kamerA1
room
Mijn kamer is niet zo groot.
kaneelA1
cinnamon
Doe wat kaneel op de appels.
kansA1
chance, opportunity
Dit is een mooie kans voor jou.
kantoorA2
office
Ons kantoor is vlak bij het station.
kantoorurenA2
office hours
Bel tijdens kantooruren.
kassaA2
checkout
Bij de kassa is een lange rij.
kassamedewerkerA2
checkout assistant
De kassamedewerker was heel vriendelijk.
kastA1
cupboard, wardrobe
Je jas hangt in de kast.
keelA1
throat
Ik heb pijn in mijn keel.
keelpijnA2
sore throat
Ik heb keelpijn en kan slecht slikken.
keerA1
time (occurrence)
Ik ga twee keer per week sporten.
kelderA1
cellar, basement
De fietsen staan in de kelder.
kerkA1
church
De kerk staat op het plein.
keukenA1
kitchen
De keuken is net schoongemaakt.
keuzeA2
choice
Er is genoeg keuze.
kinA1
chin
Hij stootte zijn kin bij het vallen.
kindA1
child
Het kind speelt in de tuin.
kipA1
chicken
Ik eet liever kip dan rundvlees.
klantA2
customer
De klant heeft altijd gelijk.

