Woordenschat
33 woorden · pagina 1 van 2
kaarsA1
candle
Op tafel brandt een kaars.
kaartA1
card; map
Ik stuur haar een kaart voor haar verjaardag.
kaasA1
cheese
Nederlandse kaas is bekend in de wereld.
kachelA1
heater, stove
Zet de kachel wat hoger.
kamA1
comb
Mag ik je kam even lenen?
kamerA1
room
Mijn kamer is niet zo groot.
kaneelA1
cinnamon
Doe wat kaneel op de appels.
kansA1
chance, opportunity
Dit is een mooie kans voor jou.
kastA1
cupboard, wardrobe
Je jas hangt in de kast.
keelA1
throat
Ik heb pijn in mijn keel.
keerA1
time (occurrence)
Ik ga twee keer per week sporten.
kelderA1
cellar, basement
De fietsen staan in de kelder.
kerkA1
church
De kerk staat op het plein.
keukenA1
kitchen
De keuken is net schoongemaakt.
kinA1
chin
Hij stootte zijn kin bij het vallen.
kindA1
child
Het kind speelt in de tuin.
kipA1
chicken
Ik eet liever kip dan rundvlees.
kleindochterA1
granddaughter
Zijn kleindochter gaat al naar school.
kleinkindA1
grandchild
Zij heeft drie kleinkinderen.
kleinzoonA1
grandson
Haar kleinzoon is net geboren.
klerenA1
clothes
Ik koop nieuwe kleren.
kleurA1
colour
Welke kleur vind je mooi?
klokA1
clock
De klok in de keuken loopt voor.
knieA1
knee
Mijn knie doet pijn bij het lopen.
koekA1
biscuit, cake
Bij de koffie krijg je een koekje.

