Woordenschat
42 woorden · pagina 1 van 2
haarA1
hair
Zij heeft lang haar.
hagelslagA1
chocolate sprinkles
Nederlandse kinderen eten hagelslag op brood.
halteA2
stop (bus/tram)
De halte is om de hoek.
hamA1
ham
Ik neem een boterham met ham.
handA1
hand
Was je handen voor het eten.
handdoekA1
towel
De handdoek hangt in de badkamer.
hartA1
heart
Mijn hart klopt snel.
hartslagA1
heartbeat
Mijn hartslag gaat snel na het sporten.
hekA1
fence, gate
Doe het hek achter je dicht.
helftA1
half (the half)
De helft van de klas was ziek.
herfstA1
autumn
In de herfst waait het vaak hard.
herhalingA2
revision, repetition
Volgende week is er een herhaling van de grammatica.
hersenenA1
brain
Slaap is belangrijk voor je hersenen.
herstelA2
recovery
Beterschap en een goed herstel!
heupA1
hip
Mijn oma heeft een nieuwe heup.
hoekA1
corner
De bakker zit om de hoek.
hoelangA1
how long
Hoelang woon je al in Nederland?
hoestdrankA2
cough syrup
Neem 's avonds wat hoestdrank.
hoeveelA1
how much, how many
Hoeveel kost dit?
hoeveelheidA2
quantity
Gebruik een kleine hoeveelheid zout.
hongerA1
hunger
Ik heb honger.
honingA1
honey
Doe wat honing in je thee.
hoofdA1
head
Mijn hoofd doet pijn.
hoofdgerechtA2
main course
Het hoofdgerecht was vis met groente.
hoofdpijnA2
headache
Ik heb de hele dag hoofdpijn.

