Woordenschat
8 woorden · pagina 1 van 1
gaanA1
to go
Ik ga morgen naar Amsterdam.
gebeurenA2
to happen
Wat is er gebeurd?
gebruikenA2
to use
Mag ik je telefoon even gebruiken?
geldenA2
to apply, to be valid
Deze regel geldt voor iedereen.
gelovenA1
to believe
Ik geloof je wel.
genezenA2
to heal, to cure
De wond is goed genezen.
gevenA1
to give
Geef mij het zout, alsjeblieft.
groetenA2
to greet
Groet je buren als je ze tegenkomt.

