Woordenschat
30 woorden · pagina 1 van 2
babyA1
baby
De baby slaapt nu.
badkamerA1
bathroom
De badkamer is boven.
banaanA1
banana
Wil je een banaan?
batterijA1
battery
De batterij is leeg.
bedA1
bed
Ik ga vroeg naar bed.
beenA1
leg
Hij heeft zijn been gebroken.
belA1
doorbell
De bel doet het niet.
beterA1
better
Ik voel me vandaag al beter.
bezemA1
broom
Pak even de bezem.
bezoekA1
visit, visitors
We krijgen vanavond bezoek.
blauwA1
blue
De lucht is vandaag blauw.
bloemkoolA1
cauliflower
Vanavond eten we bloemkool.
boekA1
book
Ik lees elke avond een boek.
boonA1
bean
Er staan bonen op het menu.
bordA1
plate
Zet de borden op tafel.
borstA1
chest
Hij voelt pijn op zijn borst.
boterA1
butter
Doe wat boter op je brood.
boterhamA1
sandwich (slice of bread)
Ik neem twee boterhammen mee.
breedA1
wide
Dit is een brede straat.
briefA1
letter
Ik heb een brief van de gemeente gekregen.
brievenbusA1
letterbox
Er zit post in de brievenbus.
brilA1
glasses
Zonder bril zie ik niets.
broekA1
trousers
Deze broek is te lang.
broerA1
brother
Mijn broer woont in België.
broodA1
bread
Ik eet elke ochtend brood.

