EigenRoute
InloggenRegistreren

Woordenschat

34 woorden · pagina 1 van 2

  • aanbiedenA2

    to offer

    Zij bood aan om te helpen.

  • aandringenB1

    to insist

    Hij bleef aandringen op een antwoord.

  • aanhalenB2

    to cite, to quote

    De auteur haalt meerdere onderzoeken aan.

  • aankomenA2

    to arrive

    Wij komen om acht uur aan.

  • aankondigenB2

    to announce

    De gemeente kondigde nieuwe regels aan.

  • aanmeldenB1

    to register, to sign up

    U kunt zich online aanmelden.

  • aanpassenA2

    to adapt, to adjust

    Je moet je aanpassen aan de nieuwe regels.

  • aanradenB1

    to recommend

    Ik raad je aan om vroeg te komen.

  • aanrakenA2

    to touch

    Raak de hete pan niet aan.

  • aanschuivenB2

    to join in (at table)

    Schuif gerust aan, er is genoeg.

  • aansprekenB1

    to address, to speak to

    Ik durfde hem er niet op aan te spreken.

  • aansturenB1

    to manage, to lead

    Zij stuurt een team van acht mensen aan.

  • aantonenB2

    to demonstrate, to prove

    Het onderzoek toont aan dat de aanpak werkt.

  • aanvaardenB2

    to accept

    Zij aanvaardde de uitslag zonder protest.

  • aanvoelenB2

    to sense

    Zij voelde meteen aan dat er iets mis was.

  • aanvragenB1

    to apply for

    Je kunt de toeslag online aanvragen.

  • aanvullenB1

    to add to, to supplement

    Wil iemand dat nog aanvullen?

  • aarzelenB2

    to hesitate

    Hij aarzelde voordat hij antwoordde.

  • ademenB1

    to breathe

    Probeer rustig te ademen.

  • adviserenB2

    to advise

    Ik adviseer je eerst te bellen.

  • afbouwenB2

    to scale down

    Hij bouwt zijn uren langzaam af.

  • afdingenB2

    to haggle

    Op een markt mag je afdingen.

  • afleidenB2

    to infer

    Uit de tekst kun je afleiden dat hij twijfelt.

  • aflossenB1

    to pay off

    We lossen de lening in tien jaar af.

  • afmeldenB1

    to cancel one's registration

    Vergeet niet je af te melden als je niet komt.