Woordenschat
52 woorden · pagina 2 van 3
afwezigA2
absent
Hij was vorige week afwezig.
agendaA2
diary, agenda
Ik zet de afspraak in mijn agenda.
alA1
already
Ben je er nu al?
allebeiA1
both
Wij werken allebei fulltime.
alleenA1
alone; only
Ik woon alleen.
alleenstaandA1
single
Zij is een alleenstaande moeder.
allemaalA1
all (of them)
We gaan allemaal mee.
allergieA2
allergy
Ik heb een allergie voor noten.
allesA1
everything
Alles is klaar.
alsA1
if, when
Als het regent, blijven we binnen.
alsjeblieftA1
please; here you are
Hier is je koffie, alsjeblieft.
altijdA1
always
Hij komt altijd te laat.
ambulanceA2
ambulance
Bel 112 voor een ambulance.
anderA1
other, different
Heb je een andere maat?
antwoordenA2
to answer
Hij antwoordde niet op mijn vraag.
apartA1
separate(ly)
We betalen apart.
apotheekA2
pharmacy
De apotheek is naast de huisarts.
appartementA2
flat, apartment
Zij huurt een klein appartement.
appelA1
apple
Ik neem een appel mee naar mijn werk.
aprilA1
April
In april bloeien de bloemen.
arbeidsovereenkomstA2
employment contract
De arbeidsovereenkomst is voor een jaar.
armA1
arm
Mijn arm is stijf.
augustusA1
August
Augustus is vaak de warmste maand.
autoA1
car
Onze auto staat voor de deur.
avondA1
evening
's Avonds kijk ik televisie.

