Woordenschat
50 woorden · pagina 1 van 2
aprilA1
April
In april bloeien de bloemen.
augustusA1
August
Augustus is vaak de warmste maand.
avondA1
evening
's Avonds kijk ik televisie.
dagelijksA1
daily
Ik oefen dagelijks een half uur.
datumA1
date
Wat is de datum van vandaag?
decemberA1
December
In december zijn er veel feestdagen.
dinsdagA1
Tuesday
Dinsdag heb ik een afspraak.
donderdagA1
Thursday
De les is op donderdagavond.
eerstA1
first
Ik ga eerst douchen.
februariA1
February
In februari is het meestal koud.
gauwA1
soon
Tot gauw!
herfstA1
autumn
In de herfst waait het vaak hard.
jaarA1
year
Ik woon hier al drie jaar.
januariA1
January
Mijn cursus begint in januari.
juliA1
July
In juli gaan we op vakantie.
juniA1
June
In juni beginnen de examens.
keerA1
time (occurrence)
Ik ga twee keer per week sporten.
klokA1
clock
De klok in de keuken loopt voor.
kwartierA1
quarter of an hour
Het duurt nog een kwartier.
langA1
long
Het duurt niet lang.
laterA1
later
We bellen later wel even.
lenteA1
spring
In de lente bloeien de tulpen.
maandA1
month
Volgende maand ga ik op vakantie.
maandagA1
Monday
Op maandag begin ik om negen uur.
maandelijksA1
monthly
De huur betaal je maandelijks.

