Woordenschat
122 woorden · pagina 4 van 5
pastaA1
pasta
Vanavond maak ik pasta.
patatA1
chips, fries
Op vrijdag eten we patat.
peerA1
pear
Deze peer is heel zoet.
peperA1
pepper
Doe er wat peper op.
pindakaasA1
peanut butter
Pindakaas is populair in Nederland.
pizzaA1
pizza
Vanavond bestellen we pizza.
portieA2
portion
Dat is een grote portie.
preiA1
leek
Doe wat prei in de soep.
receptA2
recipe
Dit recept komt van mijn moeder.
restaurantA2
restaurant
We gaan uit eten in een Italiaans restaurant.
restjeA2
leftovers
Van de restjes maak ik morgen soep.
rijstA1
rice
We eten vanavond rijst met groente.
roomA1
cream
Wil je room bij de koffie?
saladeA1
salad
Bij het vlees eten we salade.
sapA1
juice
Een glas sap, alstublieft.
sausA1
sauce
Wil je saus bij de patat?
servetA2
napkin
Er liggen servetten op tafel.
sinaasappelA1
orange
Ik pers elke ochtend een sinaasappel.
slaA1
lettuce
Er ligt sla in de koelkast.
slagerA2
butcher
Bij de slager is het vlees beter.
smaakA2
taste, flavour
De smaak is een beetje zoet.
snackA2
snack
Neem een gezonde snack mee.
snijplankA2
cutting board
Snijd de groente op de snijplank.
snoepA1
sweets, candy
Kinderen eten te veel snoep.
soepA1
soup
De soep is nog te heet.

