Woordenschat
73 woorden · pagina 1 van 3
aanA1
on, at, to
De foto hangt aan de muur.
achtA1
eight
Ik begin om acht uur.
allesA1
everything
Alles is klaar.
alsA1
if, when
Als het regent, blijven we binnen.
alsjeblieftA1
please; here you are
Hier is je koffie, alsjeblieft.
bijA1
at, near, with
Ik ben bij de dokter.
derdeA1
third
Wij wonen op de derde verdieping.
dertigA1
thirty
Ik ben dertig jaar oud.
doeiA1
bye
Doei, tot morgen!
doorA1
through; by
We liepen door het park.
drieA1
three
De les duurt drie uur.
duizendA1
thousand
Er kwamen duizend bezoekers.
eersteA1
first
Dit is mijn eerste dag hier.
elfA1
eleven
De winkel sluit om elf uur.
elkaarA1
each other
We helpen elkaar.
enA1
and
Ik neem brood en kaas.
geenA1
no, not a
Ik heb geen tijd.
halloA1
hello
Hallo, hoe gaat het?
hoeA1
how
Hoe gaat het met je?
hoewelA2
although
Hoewel het regende, gingen we toch.
hoiA1
hi
Hoi, hoe is het?
honderdA1
hundred
Dat kost ongeveer honderd euro.
iedereenA1
everyone
Iedereen is welkom.
iemandA1
someone
Er staat iemand voor de deur.
ietsA1
something
Wil je iets drinken?

