Woordenschat
Filters1
473 woorden · pagina 19 van 19
wordenA2
to become
Hij wil dokter worden.
zachtA1
soft
Dit kussen is lekker zacht.
zakA1
pocket; bag
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
zeepA1
soap
Was je handen met zeep.
zeggenA1
to say
Wat zei je?
zekerA2
certain, sure
Weet je dat zeker?
zeldenA2
rarely
Ik ga zelden naar de bioscoop.
zelfA1
self, oneself
Dat heb ik zelf gemaakt.
zesA1
six
We eten om zes uur.
zestigA1
sixty
Mijn vader is zestig geworden.
zettenA1
to put, to place upright
Zet de stoel bij het raam.
zevenA1
seven
Een week heeft zeven dagen.
zeventigA1
seventy
Buiten de bebouwde kom mag je zeventig.
zienA1
to see
Ik zie je morgen.
zijnA1
to be
Ik ben blij dat je er bent.
zingenA2
to sing
Op verjaardagen zingen we een lied.
zittenA1
to sit
Zij zit op de bank.
zoA1
so, like this
Doe het zo.
zoekenA2
to look for
Ik zoek mijn sleutels.
zonderA1
without
Koffie zonder suiker, alstublieft.
zorgenA2
to ensure; to care for
Ik zorg dat het op tijd klaar is.
zullenA1
shall, will
Zullen we koffie drinken?
zwartA1
black
Hij heeft zwarte schoenen aan.

