Woordenschat
Filters1
473 woorden · pagina 18 van 19
waaromA1
why
Waarom kom je niet?
waarschijnlijkA2
probably
Hij komt waarschijnlijk te laat.
wachtenA2
to wait
Ik wacht al een half uur.
wachtwoordA2
password
Ik ben mijn wachtwoord vergeten.
wandelenA1
to walk, to stroll
We gaan zondag wandelen.
wanneerA1
when
Wanneer begint de les?
wantA1
because (coordinating)
Ik blijf thuis, want ik ben ziek.
wassenA2
to wash
Ik moet nog kleren wassen.
watA1
what
Wat doe je?
waterA1
water
Drink veel water op een warme dag.
wegA1
road, way
Deze weg gaat naar het centrum.
weggaanA2
to leave
Wanneer ga je weg?
weggooienA2
to throw away
Gooi het oude papier weg.
weinigA1
little, few
Ik heb weinig tijd.
welkeA1
which
Welke bus moet ik nemen?
welkomA1
welcome
Welkom bij ons thuis!
wereldA1
world
Nederlandse kaas is bekend in de hele wereld.
werkA1
work
Ik ga om acht uur naar mijn werk.
werkenA1
to work
Zij werkt in een ziekenhuis.
wetenA1
to know (a fact)
Ik weet het niet.
wieA1
who
Wie is dat?
willenA1
to want
Ik wil graag koffie.
witA1
white
De muren zijn wit geverfd.
wonenA1
to live, to reside
Wij wonen in Utrecht.
woordA1
word
Ik ken dit woord nog niet.

