Woordenschat
Filters1
473 woorden · pagina 1 van 19
aanA1
on, at, to
De foto hangt aan de muur.
aanbiedenA2
to offer
Zij bood aan om te helpen.
aankomenA2
to arrive
Wij komen om acht uur aan.
aanpassenA2
to adapt, to adjust
Je moet je aanpassen aan de nieuwe regels.
aanrakenA2
to touch
Raak de hete pan niet aan.
aantalA2
number, amount
Het aantal deelnemers groeit.
achtA1
eight
Ik begin om acht uur.
achterA1
behind
De tuin ligt achter het huis.
adresA1
address
Schrijf hier je adres op.
afvalA2
waste
Het afval wordt op dinsdag opgehaald.
agendaA2
diary, agenda
Ik zet de afspraak in mijn agenda.
allebeiA1
both
Wij werken allebei fulltime.
alleenA1
alone; only
Ik woon alleen.
allemaalA1
all (of them)
We gaan allemaal mee.
allesA1
everything
Alles is klaar.
alsA1
if, when
Als het regent, blijven we binnen.
alsjeblieftA1
please; here you are
Hier is je koffie, alsjeblieft.
anderA1
other, different
Heb je een andere maat?
antwoordenA2
to answer
Hij antwoordde niet op mijn vraag.
apartA1
separate(ly)
We betalen apart.
autoA1
car
Onze auto staat voor de deur.
batterijA1
battery
De batterij is leeg.
bedankenA2
to thank
Ik wil je bedanken voor je hulp.
beginnenA2
to begin
De les begint om negen uur.
belangrijkA1
important
Dit is een belangrijke brief.

