Woordenschat
25 woorden · pagina 1 van 1
schaarA1
scissors
Heb je een schaar voor me?
schoenenA1
shoes
Deze schoenen zijn te klein.
schoolA1
school
Mijn kinderen gaan hier naar school.
schoonmakenA2
to clean
Op zaterdag maak ik het huis schoon.
schrijvenA2
to write
Schrijf je naam op het formulier.
shirtA1
shirt
Hij draagt een wit shirt.
situatieA2
situation
Leg de situatie even uit.
slapenA2
to sleep
Ik heb slecht geslapen.
slechtA1
bad
Het weer is vandaag slecht.
sluitenA1
to close
De deur sluit automatisch.
snelA1
fast
Hij loopt heel snel.
sokA1
sock
Ik kan mijn sokken niet vinden.
sommigeA1
some
Sommige winkels zijn zondag open.
sorryA1
sorry
Sorry, ik ben te laat.
spelenA1
to play
De kinderen spelen in de tuin.
sprekenA2
to speak
Spreekt u Nederlands?
springenA1
to jump
Hij sprong over de sloot.
spullenA1
stuff, belongings
Neem je spullen mee.
staanA1
to stand
De auto staat voor het huis.
stadA1
city
Amsterdam is een grote stad.
stilA1
quiet, silent
Wees even stil, alsjeblieft.
stoppenA2
to stop
Hij is gestopt met roken.
straatA1
street
Ik woon in een rustige straat.
stukA1
piece
Wil je een stuk taart?
sturenA1
to send
Ik stuur je vanavond een bericht.

