المفردات
277 كلمة · صفحة 9 من 12
staanA1
يقف
De auto staat voor het huis.
stemmenB1
يصوّت
Bij de verkiezingen mag iedereen stemmen.
stofzuigenA2
يكنس بالمكنسة
Ik stofzuig één keer per week.
stoppenA2
يتوقف
Hij is gestopt met roken.
studerenB1
يدرس
Ik studeer elke avond twee uur.
sturenA1
يرسل
Ik stuur je vanavond een bericht.
tankenB1
يتزود بالوقود
Ik moet nog even tanken.
tekenenA2
يرسم
Mijn dochter tekent graag.
tellenA1
يعدّ
Kun je tot tien tellen in het Nederlands?
terugbellenB1
يعاود الاتصال
Kunt u mij vanmiddag terugbellen?
terugbetalenA2
يعيد المبلغ
Ik betaal je volgende week terug.
terugkomenA2
يعود
Hij komt volgende week terug.
thuisblijvenA2
يبقى في المنزل
Ik blijf vandaag thuis.
toegevenB1
يعترف
Ze gaf toe dat ze fout zat.
toestaanA2
يسمح
Honden zijn hier niet toegestaan.
trainenB1
يتدرب
Wij trainen twee keer per week.
trakterenA2
يضيّف
Op je verjaardag trakteer je op gebak.
trouwenA1
يتزوج
Zij gaan in juni trouwen.
tuinierenB1
يعتني بالحديقة
In het voorjaar ga ik graag tuinieren.
uitgaanB1
يخرج للترفيه
Vroeger gingen we elk weekend uit.
uitgevenA2
ينفق
Ik geef te veel geld uit aan eten.
uitkomenA2
يناسب
Komt dinsdag jou goed uit?
uitleggenB1
يشرح
Kun je dat nog een keer uitleggen?
uitnodigenB1
يدعو
Ze hebben ons uitgenodigd voor het feest.
uitrustenB1
يستريح
Na die drukke week moet ik even uitrusten.

