المفردات
283 كلمة · صفحة 8 من 12
rekenenA2
rekende · hebben gerekend
يحسب
Ik moet even rekenen hoeveel het kost.
rennenA1
rende · hebben/zijn gerend
يركض
De kinderen rennen door de tuin.
reparerenA2
repareerde · hebben gerepareerd
يصلح
Kun jij mijn fiets morgen voor me repareren?
retournerenA2
retourneerde · hebben geretourneerd
يرجع البضاعة
Je kunt het binnen 14 dagen retourneren.
zich richtenA1انعكاسي
richtte · hebben gericht
يستهدف، يركّز على
De cursus richt zich op beginners.
rijdenA2شاذّ
reed · reden · hebben/zijn gereden
يقود
Hij rijdt elke dag naar zijn werk.
roepenA1شاذّ
riep · riepen · hebben geroepen
ينادي
Roep me als je klaar bent.
roerenA2
roerde · hebben geroerd
يقلّب
Blijf roeren tot de saus dik wordt.
ruikenA2شاذّ
rook · roken · hebben geroken
يشم
Het ruikt hier lekker.
ruilenA2
ruilde · hebben geruild
يستبدل
Kan ik deze jas ruilen?
scheidenA1شاذّ
scheidde · scheidden · zijn gescheiden
ينفصل، يطلّق
Mijn ouders zijn gescheiden.
schoonmakenA2قابل للانفصال
maakte schoon · hebben schoongemaakt
ينظف
Op zaterdag maak ik het huis schoon.
schrijvenA1شاذّ
schreef · schreven · hebben geschreven
يكتب
Schrijf je naam op het formulier.
scorenA2
scoorde · hebben gescoord
يسجّل (هدفًا)
Hij scoorde in de laatste minuut het winnende doelpunt.
slapenA1شاذّ
sliep · sliepen · hebben geslapen
ينام
Ik heb slecht geslapen.
sluitenA1شاذّ
sloot · sloten · hebben gesloten
يغلق
De deur sluit automatisch.
snappenA2
snapte · hebben gesnapt
يفهم (عامية)
Ik snap niet wat de docent bedoelt.
snijdenA2شاذّ
sneed · sneden · hebben gesneden
يقطع
Snijd de groente in kleine stukjes.
sparenA2
spaarde · hebben gespaard
يدخر
We sparen voor een nieuwe auto.
spelenA1
speelde · hebben gespeeld
يلعب
De kinderen spelen in de tuin.
تدور أحداثه (عن قصة)
Het verhaal speelt in Amsterdam, vlak na de oorlog.
sprekenA1شاذّ
sprak · spraken · hebben gesproken
يتكلم
Spreekt u Nederlands?
springenA1شاذّ
sprong · sprongen · hebben/zijn gesprongen
يقفز
Hij sprong over de sloot.
staanA1شاذّ
stond · stonden · hebben gestaan
يقف
De auto staat voor het huis.
مكتوب، وارد (في نص)
In de e-mail staat dat de cursus in september begint.
stappenA2
stapte · hebben/zijn gestapt
يخطو
Hij stapte snel in de auto en reed weg.
startenA2
startte · hebben/zijn gestart
يشغّل؛ يبدأ
Mijn auto wil vanochtend door de kou niet starten.

