المفردات
277 كلمة · صفحة 7 من 12
ophalenA2
يقلّ، يستلم
Ik haal je om zeven uur op.
oplettenA2
ينتبه
Let goed op bij het oversteken.
opruimenA2
يرتب
Ruim je spullen even op.
opvallenA2
يلفت الانتباه
Het valt me op dat je beter spreekt.
opwarmenA2
يسخّن
Warm het eten even op in de magnetron.
opzeggenA2
يلغي، ينهي
Ik wil mijn contract opzeggen.
opzoekenA2
يبحث عن (في مرجع)
Zoek het woord even op.
overboekenB1
يحوّل مبلغا
Ik heb het bedrag gisteren overgeboekt.
overleggenB1
يتشاور
Ik moet eerst met mijn collega overleggen.
overstappenA2
يبدل وسيلة النقل
In Utrecht moet je overstappen.
overstekenB1
يعبر الطريق
Steek hier voorzichtig over.
pakkenA1
يمسك، يأخذ
Pak even een glas voor me.
parkerenA2
يركن
Hier mag je niet parkeren.
passenA2
يقيس (ملابس)
Mag ik deze broek even passen?
pinnenA2
يدفع بالبطاقة
Kan ik hier pinnen?
poetsenA1
ينظف بالفرشاة
Poets je tanden twee keer per dag.
pratenA1
يتحدث
We praten straks verder.
presterenB1
يؤدي بمستوى
Onder druk presteert hij juist beter.
printenA2
يطبع
Kun je dit formulier even printen?
proberenA2
يجرب
Wil je dit even proberen?
proevenA2
يتذوق
Wil je even proeven of het goed is?
radenA1
يخمّن
Raad eens wie ik zag!
reagerenB1
يستجيب
Hij heeft nog niet op mijn mail gereageerd.
regelenA2
يرتب، ينظم
Ik regel het morgen wel.
reizenA1
يسافر
Ik reis elke dag met de trein.

