المفردات
796 كلمة · صفحة 6 من 32
de dochterA1
ابنة
Onze dochter is vijf jaar oud.
doeiA1
وداعا
Doei, tot morgen!
het doekA1
قطعة قماش
Veeg de tafel af met een doek.
het doelA1
هدف
Wat is het doel van deze cursus?
doenA1شاذّ
deed · deden · hebben gedaan
يفعل
Wat doe je in het weekend?
de dokterA1
طبيب
Ik ga morgen naar de dokter.
de donderdagA1
الخميس
De les is elke donderdag.
donkerA1
مظلم
In de winter is het om vijf uur al donker.
doorA1
عبر؛ بسبب
We liepen door het park.
de doosA1
صندوق
De boeken zitten in een doos.
het dorpA1
قرية
Zij komt uit een klein dorp.
de dorstA1
عطش
Heb je dorst?
de doucheA1
دش
Ik neem 's ochtends een douche.
dragenA1شاذّ
droeg · droegen · hebben gedragen
يرتدي؛ يحمل
Hij draagt een zwarte jas.
de drempelA1
عتبة
Pas op voor de drempel bij de deur.
drieA1
ثلاثة
De les duurt drie uur.
drinkenA1شاذّ
dronk · dronken · hebben gedronken
يشرب
Wat wil je drinken?
dromenA1
droomde · hebben gedroomd
يحلم
Ik droomde vannacht over mijn familie.
droogA1
جاف
De was is nog niet droog.
de druifA1
عنب
Deze druiven zijn erg zoet.
drukA1
مزدحم
Het is druk in de stad.
duidelijkA1
واضح
Is het nu duidelijk?
duizendA1
ألف
Er kwamen duizend bezoekers.
dunA1
رفيع
Snijd het brood dun.
durvenA1
durfde · hebben gedurfd
يجرؤ
Ik durf het niet te vragen.

