المفردات
1493 كلمة · صفحة 31 من 60
moederA1
أم
Mijn moeder woont in Utrecht.
mogelijkA2
ممكن
Is het mogelijk om later te komen?
mogelijkheidA2
إمكانية
Er is nog een andere mogelijkheid.
momentA1
لحظة
Een moment, ik kom eraan.
mondA1
فم
Doe je mond open, zegt de tandarts.
motivatieB1
دافع
Schrijf in je brief iets over je motivatie.
muntA2
قطعة نقدية
Heb je een munt van twee euro?
muntgeldA2
نقود معدنية
Voor de kar heb je muntgeld nodig.
museumB1
متحف
Het museum is op maandag gesloten.
museumkaartB1
بطاقة المتاحف
Met een museumkaart kom je overal gratis binnen.
muurA1
جدار
Aan de muur hangt een schilderij.
muziekA1
موسيقى
Ik luister graag naar muziek.
muzieklesB1
درس موسيقى
Mijn zoon heeft op woensdag muziekles.
naamA1
اسم
Wat is jouw naam?
naastA1
بجانب
Hij zit naast mij.
nachtA1
ليل
Vannacht heb ik slecht geslapen.
nachtdienstA2
المناوبة الليلية
Deze week heb ik nachtdienst.
nagelA1
ظفر
Mijn nagels zijn te lang.
nagerechtA2
حلوى
Als nagerecht is er ijs.
natA1
مبلل
Mijn jas is helemaal nat.
naturalisatieB1
التجنس
Na naturalisatie krijg je het Nederlandse paspoort.
natuurbeheerB1
إدارة الطبيعة
Natuurbeheer kost veel geld.
natuurbeschermingB1
حماية الطبيعة
Natuurbescherming is bij wet geregeld.
natuurervaringB1
تجربة في الطبيعة
Kamperen geeft een echte natuurervaring.
natuurrampB1
كارثة طبيعية
De natuurramp trof duizenden mensen.

