المفردات
396 كلمة · صفحة 3 من 16
dagA1
يوم
Elke dag ga ik naar mijn werk.
dagelijksA1
يوميا
Ik oefen dagelijks een half uur.
dankjewelA1
شكرا لك
Dankjewel voor je hulp.
datumA1
تاريخ
Wat is de datum van vandaag?
decemberA1
ديسمبر
In december zijn er veel feestdagen.
dekbedA1
لحاف
In de winter gebruik ik een dik dekbed.
deurA1
باب
Doe je de deur even dicht?
dichtA1
مغلق
Op zondag zijn de winkels dicht.
dikA1
سميك
Trek een dikke jas aan.
dingA1
شيء
Wat is dat voor een ding?
dinsdagA1
الثلاثاء
Dinsdag heb ik een afspraak.
dochterA1
ابنة
Onze dochter is vijf jaar oud.
doekA1
قطعة قماش
Veeg de tafel af met een doek.
dokterA1
طبيب
Ik ga morgen naar de dokter.
donderdagA1
الخميس
De les is op donderdagavond.
doosA1
صندوق
De boeken zitten in een doos.
dorpA1
قرية
Zij komt uit een klein dorp.
dorstA1
عطش
Heb je dorst?
doucheA1
دش
Ik neem 's ochtends een douche.
drempelA1
عتبة
Pas op voor de drempel bij de deur.
droogA1
جاف
De was is nog niet droog.
druifA1
عنب
Deze druiven zijn erg zoet.
dunA1
رفيع
Snijd het brood dun.
echtA1
حقيقي، حقا
Is dat echt waar?
echtgenootA1
زوج
Haar echtgenoot werkt in het buitenland.

