المفردات
1230 كلمة · صفحة 14 من 50
gezinA1
أسرة
Ons gezin bestaat uit vier personen.
gezondA2
صحي
Hij eet heel gezond.
gezondheidstoestandA2
الحالة الصحية
Zijn gezondheidstoestand is stabiel.
gipsA2
جبيرة جبسية
Zijn arm zit zes weken in het gips.
gisterenA1
أمس
Gisteren was ik ziek.
glasA1
كوب
Mag ik een glas water?
goedA1
جيد
Het gaat goed met mij.
goedemorgenA1
صباح الخير
Goedemorgen, komt u binnen.
goedenavondA1
مساء الخير
Goedenavond, komt u binnen.
goedendagA1
طاب يومك
Goedendag, waarmee kan ik u helpen?
goedkoopA2
رخيص
Deze winkel is vrij goedkoop.
gootsteenA1
حوض المطبخ
De vuile borden staan in de gootsteen.
gordijnA2
ستارة
Doe de gordijnen even dicht.
graagA1
بسرور
Ik drink graag koffie.
gramA2
غرام
Ik heb 500 gram kaas gekocht.
grammaticaA2
قواعد اللغة
De grammatica vind ik het moeilijkst.
gratisA2
مجاني
De eerste les is gratis.
griepA2
إنفلونزا
Half kantoor heeft de griep.
griepprikA2
لقاح الإنفلونزا
Ouderen krijgen elk jaar een griepprik.
grijsA1
رمادي
De lucht is vandaag grijs.
groenA1
أخضر
Het licht is groen, je mag gaan.
groenteA2
خضار
Eet elke dag genoeg groente.
groepslesA2
درس جماعي
Een groepsles is goedkoper dan privéles.
groetenA2
يُحيّي
Groet je buren als je ze tegenkomt.
grootA1
كبير
Zij wonen in een groot huis.

