المفردات
1493 كلمة · صفحة 14 من 60
examendatumA2
موعد الامتحان
De examendatum staat nog niet vast.
examenkostenB1
رسوم الامتحان
De examenkosten betaal je zelf.
examenlocatieB1
مقر الامتحان
De examenlocatie is in Utrecht.
examenonderdeelB1
جزء من الامتحان
Lezen is het lastigste examenonderdeel voor mij.
examenregelingB1
لائحة الامتحان
Lees de examenregeling goed door.
examenstofB1
مادة الامتحان
De examenstof staat in de studiegids.
examenstressB1
توتر الامتحانات
Veel studenten hebben last van examenstress.
examentrainingB1
تدريب على الامتحان
De examentraining duurt vier weken.
examenuitslagB1
نتيجة الامتحان
De examenuitslag komt over vier weken.
examenvoorbereidingB1
التحضير للامتحان
De examenvoorbereiding duurt twee maanden.
examenvraagB1
سؤال الامتحان
Elke examenvraag heeft vier antwoorden.
excursieB1
رحلة ميدانية
De school organiseert een excursie naar het museum.
factuurA2
فاتورة
De factuur moet binnen 14 dagen betaald worden.
familieA1
عائلة
Mijn familie komt zondag eten.
familiebezoekA1
زيارة عائلية
Zondag hebben we familiebezoek.
familielidA1
فرد من العائلة
Er komt een familielid op bezoek.
februariA1
فبراير
In februari is het meestal koud.
feestA1
حفلة
Zaterdag is er een feest.
feestdagB1
يوم عطلة رسمية
Op feestdagen zijn de winkels dicht.
festivalB1
مهرجان
Elke zomer is er een festival in het park.
fietsA2
دراجة
In Nederland gaat bijna iedereen met de fiets.
fietsenstallingA2
موقف الدراجات
Zet je fiets in de fietsenstalling.
fietspadB1
مسار الدراجات
Fiets alsjeblieft op het fietspad.
fietspompA2
منفاخ الدراجة
Heb je een fietspomp voor me?
fietsrouteA2
مسار الدراجات
Deze fietsroute gaat door het bos.

