المفردات
396 كلمة · صفحة 14 من 16
telefoonA1
هاتف
Mijn telefoon is leeg.
televisieA1
تلفاز
De televisie staat de hele dag aan.
terugA1
عائد، رجوع
Ik ben om zes uur terug.
theeA1
شاي
Ik drink liever thee dan koffie.
thuisA1
في المنزل
Vandaag werk ik thuis.
tijdA1
وقت
Ik heb geen tijd vandaag.
toiletA1
مرحاض
Waar is het toilet?
tomaatA1
طماطم
Doe een tomaat in de salade.
tongA1
لسان
Steek uw tong uit, zegt de dokter.
touwA1
حبل
Bind de doos vast met touw.
trapA1
درج
De trap is erg steil.
tuinA1
حديقة
We hebben een kleine tuin achter het huis.
tuinpadA1
ممر الحديقة
Het tuinpad ligt vol bladeren.
tuinstoelA1
كرسي حديقة
De tuinstoelen staan in de schuur.
tweelingA1
توأم
Zij heeft een tweeling gekregen.
uiA1
بصل
Van een ui moet ik huilen.
uurA1
ساعة
De les duurt één uur.
vaderA1
أب
Mijn vader kookt heel goed.
vensterbankA1
حافة النافذة
Op de vensterbank staan planten.
verA1
بعيد
Is het nog ver?
verdiepingA1
طابق
Wij wonen op de derde verdieping.
verjaardagA1
عيد ميلاد
Morgen is mijn verjaardag.
verloofdA1
مخطوب
Ze zijn sinds vorige maand verloofd.
vierkantA1
مربع
Het plein is bijna vierkant.
vingerA1
إصبع
Ik heb mijn vinger gesneden.

