المفردات
1493 كلمة · صفحة 12 من 60
dijkB1
سد ترابي
Nederland wordt beschermd door dijken.
dikA1
سميك
Trek een dikke jas aan.
dingA1
شيء
Wat is dat voor een ding?
dinsdagA1
الثلاثاء
Dinsdag heb ik een afspraak.
diplomaB1
شهادة
Mijn diploma is hier erkend.
docentB1
مدرس
De docent legt de opdracht nog een keer uit.
dochterA1
ابنة
Onze dochter is vijf jaar oud.
doekA1
قطعة قماش
Veeg de tafel af met een doek.
doelA2
هدف
Wat is het doel van deze cursus?
doelstellingB1
هدف
We hebben onze doelstelling gehaald.
dokterA1
طبيب
Ik ga morgen naar de dokter.
doktersadviesB1
نصيحة الطبيب
Volg het doktersadvies goed op.
doktersbezoekB1
زيارة الطبيب
Na het doktersbezoek voelde ik me gerustgesteld.
donderdagA1
الخميس
De les is op donderdagavond.
doosA1
صندوق
De boeken zitten in een doos.
dorpA1
قرية
Zij komt uit een klein dorp.
dorstA1
عطش
Heb je dorst?
doucheA1
دش
Ik neem 's ochtends een douche.
drankA2
مشروب
Wat voor drank wil je erbij?
drempelA1
عتبة
Pas op voor de drempel bij de deur.
dringendB1
عاجل
Dit is een dringend bericht.
droogA1
جاف
De was is nog niet droog.
droogteB1
جفاف
Door de droogte mag je de tuin niet sproeien.
druifA1
عنب
Deze druiven zijn erg zoet.
dunA1
رفيع
Snijd het brood dun.

