المفردات
277 كلمة · صفحة 10 من 12
uitstappenA2
ينزل (من المركبة)
Bij welke halte moet ik uitstappen?
uitzoekenA2
يستوضح
Ik zoek uit wat de regels precies zijn.
vallenA1
يسقط
Pas op, je valt bijna.
veranderenA2
يتغير
Er is veel veranderd dit jaar.
verantwoordenB1
يبرر، يقدم حسابا
Je moet je keuzes kunnen verantwoorden.
verbeterenA2
يحسّن
Mijn Nederlands is dit jaar verbeterd.
verbiedenA2
يمنع
Roken is in het gebouw verboden.
verdienenA2
يكسب
Hoeveel verdien je per uur?
vergetenA2
ينسى
Ik ben mijn telefoon vergeten.
verhuizenA2
ينتقل
We verhuizen volgende maand naar Rotterdam.
verkopenA1
يبيع
Ze verkopen hier verse groente.
vermijdenA2
يتجنب
Probeer de spits te vermijden.
verplaatsenA2
ينقل، يؤجل
Kunnen we de afspraak verplaatsen?
versturenA2
يرسل
Verstuur het formulier voor vrijdag.
vertellenA1
يحكي
Vertel eens, hoe was je dag?
vertrekkenA2
يغادر
De trein vertrekt over vijf minuten.
verwachtenA2
يتوقع
We verwachten hem om zes uur.
verwerkenB1
يستوعب، يعالج
Je moet de stof eerst goed verwerken.
verzamelenB1
يجمع
Hij verzamelt oude postzegels.
verzoekenB1
يرجو، يطلب
Wij verzoeken u het formulier te ondertekenen.
verzorgenB1
يعتني بـ
Zij verzorgt haar moeder thuis.
vindenA2
يجد؛ يرى
Ik kan het niet vinden.
voelenA2
يشعر
Ik voel me vandaag beter.
voorbereidenA2
يستعد
Ik bereid me voor op het examen.
voorkomenA2
يحدث؛ يمنع
Dat probleem komt hier vaak voor.

