المفردات
430 كلمة · صفحة 10 من 18
de mensenA1
أشخاص
Er waren veel mensen op het feest.
het mesA1
سكين
Dit mes is niet scherp.
de meterA1
متر
De kamer is vier meter lang en drie meter breed.
de mevrouwA1
سيدة
Mevrouw, u bent uw handschoen in de bus vergeten.
de middagA1
بعد الظهر
We eten om twaalf uur 's middags.
de middernachtA1
منتصف الليل
De trein rijdt tot middernacht.
de ministerA1
وزير
De minister legde het beleid uit.
de minuutA1
دقيقة
Wacht even, nog één minuut.
de moederA1
أم
Mijn moeder woont in Utrecht.
het momentA1
لحظة
Een moment, ik kom eraan.
de mondA1
فم
Doe je mond open, zegt de tandarts.
de muurA1
جدار
Aan de muur hangt een schilderij.
de muziekA1
موسيقى
Ik luister graag naar muziek.
de naamA1
اسم
Wat is jouw naam?
de nachtA1
ليل
Ik heb de hele nacht slecht geslapen.
de nagelA1
ظفر
Mijn nagels zijn te lang.
het NederlandsA1
اللغة الهولندية
Ik leer al twee jaar Nederlands op een taalschool.
de neefA1
ابن العم، ابن الأخ
Mijn neef is even oud als ik.
de nekA1
رقبة
Ik heb een stijve nek.
de neusA1
أنف
Mijn neus is verstopt.
de nichtA1
ابنة العم، ابنة الأخ
Mijn nicht woont in Rotterdam.
de nierA1
كلية (عضو في الجسم)
Hij heeft problemen met zijn nieren.
het nieuwsA1
أخبار
Ik volg het nieuws elke ochtend.
de nootA1
مكسرات
Ik ben allergisch voor noten.
نوتة موسيقية
Bij deze noot moet je het pedaal indrukken.
novemberA1
نوفمبر
November is een donkere maand.

