المفردات
42 كلمة · صفحة 1 من 2
zachtA1
ناعم
Dit kussen is lekker zacht.
zakA1
جيب؛ كيس
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
zalfA2
مرهم
Smeer deze zalf twee keer per dag op de wond.
zaterdagA1
السبت
Op zaterdag doe ik boodschappen.
zebrapadA2
ممر المشاة
Steek over bij het zebrapad.
zeeB1
بحر
De zee is vandaag onrustig.
zeepA1
صابون
Was je handen met zeep.
zekerA2
متأكد
Weet je dat zeker?
zelfA1
بنفسه
Dat heb ik zelf gemaakt.
zelfstandigheidB1
الاستقلالية
De functie vraagt veel zelfstandigheid.
zelfstudieB1
دراسة ذاتية
Naast de les doe ik veel zelfstudie.
ziekA1
مريض
Ik ben vandaag ziek.
ziekenhuisA2
مستشفى
Ze ligt sinds gisteren in het ziekenhuis.
ziekenhuisbezoekB1
زيارة المستشفى
Het ziekenhuisbezoek duurde twee uur.
ziekenhuisopnameB1
الإدخال إلى المستشفى
Een ziekenhuisopname was niet nodig.
ziekmeldingB1
إشعار مرضي
Doe je ziekmelding voor negen uur.
ziekteA1
مرض
Het is een ziekte die vaak voorkomt.
ziektebeeldB1
الصورة المرضية
Dit ziektebeeld komt vaker voor bij ouderen.
ziektekostenB1
التكاليف الطبية
De ziektekosten worden grotendeels vergoed.
ziektekostenvergoedingB1
تعويض التكاليف الطبية
Vraag na of je ziektekostenvergoeding krijgt.
zolderA1
علية
De oude spullen liggen op zolder.
zomerA1
صيف
In de zomer gaan we naar het strand.
zonB1
شمس
De zon schijnt eindelijk.
zondagA1
الأحد
Zondag zijn veel winkels dicht.
zonlichtB1
ضوء الشمس
De kamer krijgt veel zonlicht.

