المفردات
73 كلمة · صفحة 3 من 3
winkelierA2
صاحب المتجر
De winkelier kent al zijn klanten.
winkelketenA2
سلسلة متاجر
Deze winkelketen heeft filialen door het hele land.
winkelmandjeA2
سلة التسوق
Voor een paar dingen pak ik een winkelmandje.
winkelpersoneelA2
موظفو المتجر
Het winkelpersoneel helpt je graag.
winkeltijdenA2
أوقات عمل المتجر
De winkeltijden staan op de deur.
winkelwagenA2
عربة تسوق
Voor een winkelwagen heb je een muntje nodig.
winterA1
شتاء
De winter is hier nat en koud.
wisselenA2
يصرف (نقودا)
Kunt u dit briefje van vijftig wisselen?
witA1
أبيض
De muren zijn wit geverfd.
woensdagA1
الأربعاء
Woensdag zijn de kinderen vrij.
wondA1
جرح
Maak de wond eerst schoon.
wondverzorgingA2
العناية بالجرح
De verpleegkundige doet de wondverzorging.
wonenA1
يسكن
Wij wonen in Utrecht.
woningA2
مسكن
Een betaalbare woning vinden is moeilijk.
woningcorporatieA2
مؤسسة الإسكان
De woningcorporatie verhuurt sociale woningen.
woonadresA2
عنوان السكن
Geef je nieuwe woonadres door aan de gemeente.
woonkamerA1
غرفة المعيشة
De woonkamer is het grootst.
woonruimteA2
مساحة سكنية
Woonruimte is in deze stad schaars.
woordA1
كلمة
Ik ken dit woord nog niet.
woordenboekA2
قاموس
Zoek het woord op in het woordenboek.
wordenA2
يصبح
Hij wil dokter worden.
worstA1
نقانق
Bij de slager kocht ik worst.
wortelA1
جزرة
Doe de wortels in de soep.

