المفردات
25 كلمة · صفحة 1 من 1
het raamA1
نافذة
Het raam staat open.
radenA1شاذّ
raadde · raadden · hebben geraden
يخمّن
Raad eens wie ik zag!
de radioA1
راديو
In de auto luister ik altijd naar de radio.
de reactieA1
تعليق
Onder het bericht staan honderd reacties.
reagerenA1
reageerde · hebben gereageerd
يستجيب
Hij heeft nog niet op mijn mail gereageerd.
het rechtA1
حق
Je hebt recht op een advocaat.
مستقيم
De weg loopt recht naar het centrum.
rechtsA1
يمين
De supermarkt is rechts van het station.
de regelA1
قاعدة
Dat is hier de regel.
سطر (في نص)
Het antwoord staat op regel twaalf van de tekst.
de regeringA1
الحكومة (مجلس الوزراء)
De regering viel na een jaar.
reizenA1
reisde · hebben/zijn gereisd
يسافر
Ik reis elke dag met de trein.
de relatieA1
علاقة
Hun relatie is de laatste jaren verbeterd.
rennenA1
rende · hebben/zijn gerend
يركض
De kinderen rennen door de tuin.
het resultaatA1
نتيجة
Het resultaat viel tegen.
zich richtenA1انعكاسي
richtte · hebben gericht
يستهدف، يركّز على
De cursus richt zich op beginners.
rijkA1
غني
Zij komt uit een rijke familie.
de rijstA1
أرز
We eten vanavond rijst met groente.
roepenA1شاذّ
riep · riepen · hebben geroepen
ينادي
Roep me als je klaar bent.
de rokA1
تنورة
Ze draagt vandaag een lange blauwe rok.
de rommelA1
فوضى
Wat een rommel in deze kamer!
rondA1
دائري
De tafel is rond.
حوالي، حول
De vergadering begint rond twee uur.
roodA1
أحمر
Ze draagt een rode jas.
de roomA1
قشدة
Wil je room bij de koffie?
rozeA1
وردي
Zij draagt een roze jurk.
de rugA1
ظهر
Ik heb last van mijn rug.
de rugzakA1
حقيبة ظهر
Mijn boeken zitten in mijn rugzak.

