المفردات
27 كلمة · صفحة 1 من 2
naamA1
اسم
Wat is jouw naam?
naastA1
بجانب
Hij zit naast mij.
nachtA1
ليل
Vannacht heb ik slecht geslapen.
nachtdienstA2
المناوبة الليلية
Deze week heb ik nachtdienst.
nagelA1
ظفر
Mijn nagels zijn te lang.
nagerechtA2
حلوى
Als nagerecht is er ijs.
natA1
مبلل
Mijn jas is helemaal nat.
naturalisatieB1
التجنس
Na naturalisatie krijg je het Nederlandse paspoort.
natuurbeheerB1
إدارة الطبيعة
Natuurbeheer kost veel geld.
natuurbeschermingB1
حماية الطبيعة
Natuurbescherming is bij wet geregeld.
natuurervaringB1
تجربة في الطبيعة
Kamperen geeft een echte natuurervaring.
natuurrampB1
كارثة طبيعية
De natuurramp trof duizenden mensen.
natuurwandelingB1
نزهة في الطبيعة
Zondag maken we een natuurwandeling.
nazorgB1
الرعاية اللاحقة
Na de operatie krijgt u nazorg thuis.
neefA1
ابن العم، ابن الأخ
Mijn neef is even oud als ik.
neerslagB1
هطول الأمطار
Er wordt veel neerslag verwacht.
nekA1
رقبة
Ik heb een stijve nek.
netjesA1
مرتب
Je kamer ziet er netjes uit.
neusA1
أنف
Mijn neus is verstopt.
nichtA1
ابنة العم، ابنة الأخ
Mijn nicht woont in Rotterdam.
nierA1
كلية
Hij heeft problemen met zijn nieren.
niveauB1
مستوى
Op welk niveau zit je nu?
nogmaalsA1
مرة أخرى
Nogmaals bedankt voor je hulp.
nootA1
مكسرات
Ik ben allergisch voor noten.
notitieB1
مذكرة
Ik maakte een notitie tijdens het gesprek.

