المفردات
17 كلمة · صفحة 1 من 1
naamA1
اسم
Wat is jouw naam?
naastA1
بجانب
Hij zit naast mij.
nachtA1
ليل
Vannacht heb ik slecht geslapen.
nachtdienstA2
المناوبة الليلية
Deze week heb ik nachtdienst.
nagelA1
ظفر
Mijn nagels zijn te lang.
nagerechtA2
حلوى
Als nagerecht is er ijs.
natA1
مبلل
Mijn jas is helemaal nat.
neefA1
ابن العم، ابن الأخ
Mijn neef is even oud als ik.
nekA1
رقبة
Ik heb een stijve nek.
netjesA1
مرتب
Je kamer ziet er netjes uit.
neusA1
أنف
Mijn neus is verstopt.
nichtA1
ابنة العم، ابنة الأخ
Mijn nicht woont in Rotterdam.
nierA1
كلية
Hij heeft problemen met zijn nieren.
nogmaalsA1
مرة أخرى
Nogmaals bedankt voor je hulp.
nootA1
مكسرات
Ik ben allergisch voor noten.
novemberA1
نوفمبر
November is een donkere maand.
nummerA1
رقم
Wat is je telefoonnummer?

