المفردات
62 كلمة · صفحة 2 من 3
meesteA1
معظم
De meeste mensen komen met de fiets.
meiA1
مايو
Mijn verjaardag is in mei.
meisjeA1
فتاة
Het meisje speelt buiten.
melkA1
حليب
Wil je melk in je koffie?
mensA1
إنسان
Hij is een aardig mens.
mensenA1
أشخاص
Er waren veel mensen op het feest.
merkA2
علامة تجارية
Welk merk koop jij meestal?
merkenA2
يلاحظ
Ik merk dat het beter gaat.
mesA1
سكين
Dit mes is niet scherp.
metA1
مع، بواسطة
Ik ga met de fiets.
meteenA1
فورا
Ik kom er meteen aan.
metroA2
مترو
In Amsterdam kun je met de metro.
meubelsA2
أثاث
We hebben nieuwe meubels gekocht.
middagA1
بعد الظهر
We eten om twaalf uur 's middags.
middernachtA1
منتصف الليل
De trein rijdt tot middernacht.
minderA1
أقل
Ik werk nu minder uren.
minimumloonA2
الحد الأدنى للأجور
Hij verdient het minimumloon.
minuutA1
دقيقة
Wacht even, nog één minuut.
misschienA2
ربما
Misschien kom ik later.
misselijkA2
يشعر بالغثيان
Ik voel me een beetje misselijk.
missenA2
يفوت؛ يفتقد
Ik heb de bus gemist.
moeA1
متعب
Ik ben vandaag heel moe.
moederA1
أم
Mijn moeder woont in Utrecht.
moedigA2
شجاع
Dat was een moedige beslissing.
moeilijkA1
صعب
Nederlands is soms moeilijk.

