المفردات
12 كلمة · صفحة 1 من 1
gaanA1
يذهب
Ik ga morgen naar Amsterdam.
gapenB2
يتثاءب
Halverwege de lezing begon hij te gapen.
gebeurenA2
يحدث
Wat is er gebeurd?
gebruikenA2
يستخدم
Mag ik je telefoon even gebruiken?
geldenA2
يسري، ينطبق
Deze regel geldt voor iedereen.
gelovenA1
يصدّق
Ik geloof je wel.
generaliserenB2
يعمّم
Je kunt dat niet zomaar generaliseren.
genezenA2
يشفى، يُشفي
De wond is goed genezen.
genietenB1
يستمتع
Ik geniet van het rustige weekend.
geruststellenB2
يطمئن
De arts stelde de ouders gerust.
gevenA1
يعطي
Geef mij het zout, alsjeblieft.
groetenA2
يُحيّي
Groet je buren als je ze tegenkomt.

