المفردات
18 كلمة · صفحة 1 من 1
gangA1
ممر
Zet je schoenen in de gang.
garageA1
مرآب
De fiets staat in de garage.
gauwA1
قريبا
Tot gauw!
gebakA1
معجنات
Bij de koffie was er gebak.
gelukA1
حظ، سعادة
Veel geluk met je nieuwe baan!
gereedschapA1
أدوات
Het gereedschap ligt in de schuur.
getalA1
عدد
Schrijf het getal in cijfers.
getrouwdA1
متزوج
Zij is al tien jaar getrouwd.
gezichtA1
وجه
Was je gezicht met koud water.
gezinA1
أسرة
Ons gezin bestaat uit vier personen.
glasA1
كوب
Mag ik een glas water?
goedA1
جيد
Het gaat goed met mij.
goedemorgenA1
صباح الخير
Goedemorgen, komt u binnen.
goedenavondA1
مساء الخير
Goedenavond, komt u binnen.
goedendagA1
طاب يومك
Goedendag, waarmee kan ik u helpen?
gootsteenA1
حوض المطبخ
De vuile borden staan in de gootsteen.
grijsA1
رمادي
De lucht is vandaag grijs.
grootA1
كبير
Zij wonen in een groot huis.

