المفردات
39 كلمة · صفحة 1 من 2
de factuurA2
فاتورة
De factuur moet binnen 14 dagen betaald worden.
de familieA1
عائلة
Mijn familie komt zondag eten.
het familiebezoekA1
زيارة عائلية
Zondag hebben we familiebezoek.
het familielidA1
فرد من العائلة
Er komt een familielid op bezoek.
de fanA2
معجب، مشجّع
Mijn zoon is een grote fan van deze voetballer.
februariA1
فبراير
In februari is het meestal koud.
het feestA1
حفلة
Zaterdag is er een feest.
de feestdagB1
يوم عطلة رسمية
Op feestdagen zijn de winkels dicht.
het feitA1
حقيقة
Scheid feiten van meningen.
het festivalA2
مهرجان
Elke zomer is er een festival in het park.
de fietsA2
دراجة
In Nederland gaat bijna iedereen met de fiets.
de fietsenstallingA2
موقف الدراجات
Zet je fiets in de fietsenstalling.
de fietserA2
راكب دراجة
Let goed op de fietser als je rechts afslaat.
het fietspadB1
ممر للدراجات
Fiets alsjeblieft op het fietspad.
de fietspompA2
منفاخ الدراجة
Heb je een fietspomp voor me?
de fietsrouteA2
مسار الدراجات
Deze fietsroute gaat door het bos.
het fietsslotA2
قفل الدراجة
Vergeet je fietsslot niet.
de fietstunnelB1
نفق الدراجات
Neem de fietstunnel onder het spoor door.
de fietsveiligheidB1
سلامة راكب الدراجة
Verlichting is belangrijk voor je fietsveiligheid.
de fietsverhuurA2
تأجير الدراجات
Bij het station is een fietsverhuur.
het figuurB1
شكل، رسم
Kijk naar het figuur op pagina tien van het boek.
de fileB1
ازدحام مروري
Ik stond een uur in de file.
de filmA1
فيلم
We kijken vanavond een film.
de finaleB1
المباراة النهائية
Ons team heeft de finale van het toernooi gehaald.
de financiënB1
الشؤون المالية
Mijn financiën zijn nu weer op orde.

