المفردات
58 كلمة · صفحة 2 من 3
dienstverbandA2
علاقة التوظيف
Zij heeft een vast dienstverband.
dikA1
سميك
Trek een dikke jas aan.
dingA1
شيء
Wat is dat voor een ding?
dinsdagA1
الثلاثاء
Dinsdag heb ik een afspraak.
dochterA1
ابنة
Onze dochter is vijf jaar oud.
doeiA1
وداعا
Doei, tot morgen!
doekA1
قطعة قماش
Veeg de tafel af met een doek.
doelA2
هدف
Wat is het doel van deze cursus?
doenA1
يفعل
Wat doe je in het weekend?
dokterA1
طبيب
Ik ga morgen naar de dokter.
donderdagA1
الخميس
De les is op donderdagavond.
doorA1
عبر؛ بسبب
We liepen door het park.
doosA1
صندوق
De boeken zitten in een doos.
dorpA1
قرية
Zij komt uit een klein dorp.
dorstA1
عطش
Heb je dorst?
doucheA1
دش
Ik neem 's ochtends een douche.
downloadenA2
يُنزّل
Download de app op je telefoon.
dragenA1
يرتدي؛ يحمل
Hij draagt een zwarte jas.
drankA2
مشروب
Wat voor drank wil je erbij?
drempelA1
عتبة
Pas op voor de drempel bij de deur.
drieA1
ثلاثة
De les duurt drie uur.
drinkenA1
يشرب
Wat wil je drinken?
dromenA1
يحلم
Ik droomde vannacht over mijn familie.
droogA1
جاف
De was is nog niet droog.
druifA1
عنب
Deze druiven zijn erg zoet.

