المفردات
120 كلمة · صفحة 5 من 5
spaarpotA2
حصالة
De kinderen sparen in een spaarpot.
spaarrekeningB1
حساب توفير
Het geld staat op een spaarrekening.
spaarrenteB1
فائدة الادخار
De spaarrente is eindelijk weer gestegen.
spaartegoedB1
رصيد الادخار
Mijn spaartegoed groeit langzaam.
sparenA2
يدخر
We sparen voor een nieuwe auto.
stortingA2
إيداع
De storting is nog niet zichtbaar op mijn rekening.
tegoedA2
رصيد متبقٍ
Er staat nog tegoed op mijn kaart.
termijnB1
قسط؛ مهلة
Je kunt in termijnen betalen.
terugbetalenA2
يعيد المبلغ
Ik betaal je volgende week terug.
toeslagA2
بدل، إعانة
Je kunt huurtoeslag aanvragen.
toeslagaanvraagB1
طلب البدل
De toeslagaanvraag doe je online.
uitgaveA2
نفقة
Dit is een grote uitgave voor ons.
uitgavenB1
نفقات
Mijn uitgaven zijn hoger dan vorig jaar.
uitgevenA2
ينفق
Ik geef te veel geld uit aan eten.
verhogingB1
زيادة
De verhoging van de huur gaat in juli in.
verzekeringA2
تأمين
Een zorgverzekering is verplicht in Nederland.
waardeA2
قيمة
De waarde van het huis is gestegen.
wisselenA2
يصرف (نقودا)
Kunt u dit briefje van vijftig wisselen?
woonlastenB1
تكاليف السكن
De woonlasten zijn dit jaar flink gestegen.
zorgtoeslagB1
بدل التأمين الصحي
Met een laag inkomen krijg je zorgtoeslag.

