Je EigenRoute
دخولإنشاء حساب

المفردات

عوامل التصفية2

75 كلمة · صفحة 1 من 3

  • aardappelA1

    بطاطس

    We eten vanavond aardappelen.

  • aardbeiA1

    فراولة

    In juni zijn de aardbeien het lekkerst.

  • appelA1

    تفاحة

    Ik neem een appel mee naar mijn werk.

  • azijnA1

    خل

    Doe wat azijn in de salade.

  • banaanA1

    موزة

    Wil je een banaan?

  • bloemkoolA1

    قرنبيط

    Vanavond eten we bloemkool.

  • boonA1

    فاصولياء

    Er staan bonen op het menu.

  • bordA1

    طبق

    Zet de borden op tafel.

  • boterA1

    زبدة

    Doe wat boter op je brood.

  • boterhamA1

    شطيرة

    Ik neem twee boterhammen mee.

  • broodA1

    خبز

    Ik eet elke ochtend brood.

  • champignonA1

    فطر

    In de saus zitten champignons.

  • chocoladeA1

    شوكولاتة

    Zij houdt van donkere chocolade.

  • citroenA1

    ليمون

    Doe wat citroen in het water.

  • dorstA1

    عطش

    Heb je dorst?

  • druifA1

    عنب

    Deze druiven zijn erg zoet.

  • eiA1

    بيضة

    Ik eet 's ochtends een ei.

  • erwtA1

    بازلاء

    Erwtensoep is een Nederlands wintergerecht.

  • etenA1

    طعام

    Nederlands eten is soms heel simpel.

  • flesA1

    زجاجة

    Er staat een fles wijn op tafel.

  • gebakA1

    معجنات

    Bij de koffie was er gebak.

  • glasA1

    كوب

    Mag ik een glas water?

  • hagelslagA1

    رقائق الشوكولاتة

    Nederlandse kinderen eten hagelslag op brood.

  • hamA1

    لحم مقدد

    Ik neem een boterham met ham.

  • hongerA1

    جوع

    Ik heb honger.