المفردات
17 كلمة · صفحة 1 من 1
bakkenA2
يقلي، يخبز
Ik bak een ei voor het ontbijt.
bakkerA2
مخبز
Ik haal brood bij de bakker.
banaanA1
موزة
Wil je een banaan?
bedervenA2
يفسد
Vlees bederft snel in de warmte.
bereidenA2
يُعدّ (طعاما)
Dit gerecht is makkelijk te bereiden.
bereidingstijdA2
وقت التحضير
De bereidingstijd is twintig minuten.
bestellenA2
يطلب
Zullen we pizza bestellen?
biologischA2
عضوي
Deze groente is biologisch geteeld.
bitterA2
مر
Zwarte koffie smaakt bitter.
blikjeA2
علبة معدنية
In de koelkast staat nog een blikje.
bloemkoolA1
قرنبيط
Vanavond eten we bloemkool.
boodschappenA2
مشتريات
Ik doe zaterdag boodschappen.
boonA1
فاصولياء
Er staan bonen op het menu.
bordA1
طبق
Zet de borden op tafel.
boterA1
زبدة
Doe wat boter op je brood.
boterhamA1
شطيرة
Ik neem twee boterhammen mee.
broodA1
خبز
Ik eet elke ochtend brood.

