المفردات
166 كلمة · صفحة 6 من 7
shirtA1
قميص
Hij draagt een wit shirt.
situatieA2
وضع
Leg de situatie even uit.
slechtA1
سيء
Het weer is vandaag slecht.
sokA1
جورب
Ik kan mijn sokken niet vinden.
sommigeA1
بعض
Sommige winkels zijn zondag open.
spullenA1
أغراض
Neem je spullen mee.
stadA1
مدينة
Amsterdam is een grote stad.
stilA1
هادئ، صامت
Wees even stil, alsjeblieft.
straatA1
شارع
Ik woon in een rustige straat.
stukA1
قطعة
Wil je een stuk taart?
taalA1
لغة
Nederlands is een moeilijke taal.
tandenborstelA1
فرشاة أسنان
Vergeet je tandenborstel niet.
tasA1
حقيبة
Mijn tas staat naast de stoel.
telefoonA1
هاتف
Mijn telefoon is leeg.
televisieA1
تلفاز
De televisie staat de hele dag aan.
terugA1
عائد، رجوع
Ik ben om zes uur terug.
thuisA1
في المنزل
Vandaag werk ik thuis.
tijdstipA2
توقيت
Wat is een handig tijdstip voor jou?
touwA1
حبل
Bind de doos vast met touw.
verA1
بعيد
Is het nog ver?
veranderingA2
تغيير
Dat is een grote verandering voor ons.
verschilA2
فرق
Wat is het verschil tussen deze twee?
verwachtingA2
توقع
De verwachting is dat het morgen regent.
vierkantA1
مربع
Het plein is bijna vierkant.
voorbeeldA2
مثال
Kun je een voorbeeld geven?

