المفردات
473 كلمة · صفحة 5 من 19
fietsenA1
يركب الدراجة
Ik fiets elke dag naar school.
filmA1
فيلم
We kijken vanavond een film.
fotoA1
صورة
Dit is een foto van mijn familie.
foutA1
خطأ
Ik heb een fout gemaakt.
gaanA1
يذهب
Ik ga morgen naar Amsterdam.
gebeurenA2
يحدث
Wat is er gebeurd?
gebruikA2
استخدام
Het gebruik van de app is gratis.
gebruikelijkA2
معتاد
Het is hier gebruikelijk om af te spreken.
gebruikenA2
يستخدم
Mag ik je telefoon even gebruiken?
geelA1
أصفر
De bloemen in de tuin zijn geel.
geenA1
لا، ليس هناك
Ik heb geen tijd.
geldenA2
يسري، ينطبق
Deze regel geldt voor iedereen.
gelijkA1
محق؛ متساوٍ
Je hebt gelijk.
gelovenA1
يصدّق
Ik geloof je wel.
gelukA1
حظ، سعادة
Veel geluk met je nieuwe baan!
gemiddeldA2
في المتوسط
Ik werk gemiddeld dertig uur per week.
genoegA1
كافٍ
Er is genoeg eten voor iedereen.
gereedschapA1
أدوات
Het gereedschap ligt in de schuur.
geschiktA2
مناسب
Deze woning is geschikt voor een gezin.
getalA1
عدد
Schrijf het getal in cijfers.
gevenA1
يعطي
Geef mij het zout, alsjeblieft.
gevolgA2
نتيجة، عاقبة
Dat heeft grote gevolgen voor ons.
gewoonteA2
عادة
Vroeg opstaan is een goede gewoonte.
goedA1
جيد
Het gaat goed met mij.
goedemorgenA1
صباح الخير
Goedemorgen, komt u binnen.

